Dan komt het nat…

Soort:Recensie
Onderwerp:Jemig de Pemig!
Auteur:Hans van Maanen
Medium:Het Parool
Datum:10-03-1999
Pagina:8 (Beurs)

Weinig taalvirtuozen hebben zo gemakkelijk toegang tot het Nederlandse publiek gehad als Kees van Kooten en Wim de Bie. Meer dan dertig jaar - van eind 1965 tot media 1998 - waren zij zeer geregeld op televisie te zien, de laatste twintig jaar zelfs elke week. En wie de tv heeft, heeft de taal.
 
'In de afgelopen decennia hebben Kees van Kooten en Wim de Bie maar liefst vijftig woorden, uitdrukkingen en soortnamen aan onze taal toegevoegd,' meldt de flaptekst van het onlangs verschenen boekje Jemig de pemig! De invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands dan ook. 'Dat is een ongeevenaarde prestatie.' Dat is natuurlijk de vraag - het ligt er maar aan waardoor je deelt: ik denk dat het in verhouding tot de media exposure van andere taalspelers als drs. P. en Jiskefet en Marten Toonder nogal meevalt. Is vijftig woorden in dertig jaar intensief contact dan niet eerder ongeevenaard weinig?
 
Van die dingen dus. Het boekje is geschreven door de taalhistoricus Ewoud Sanders, aan wie wij al het Eponiemenwoordenboek en Krijg de vinkentering danken. Voor Jemig de pemig zocht Sanders onder meer in Nederlandse kranten en tijdschriften, die tussen april en oktober 1998 verschenen, naar uitdrukkingen die journalisten van Van Kooten en De Bie hadden overgenomen. Ook Internet vormde een bron. Daarnaast, en dat is zo mogelijk nog aardiger, kreeg Sanders de medewerking van Van Kooten en De Bie zelf, zodat over de gevleugelde uitdrukkingen af en toe ook een nieuw detail opduikt. Heerlijk leesvoer, kortom.
 
De veruit meest geciteerde uitdrukkingen, zo ontdekte Sanders, zijn 'oudere jongere', 'doemdenken' en 'vrije jongens', allemaal meer dan zeshonderd keer genoemd. Die woorden zijn zelfs zo gewoon geworden, dat weinig gebruikers nog beseffen dat ze door Van Kooten en De Bie zijn gemunt. Dergelijke woorden zijn voor een taalhistoricus natuurlijk het interessantst - je kunt de hele bevalling volgen, en dankzij de medewerking van de geestelijke vaders zelfs de conceptie - en Sanders vertelt er dan ook gloedvol over.
 
Met twee- ... driehonderd citaties volgen 'regelneef', 'krasse knarren' en 'positivo's', daarna komen we onder de honderd met 'vieze man', 'dr. Clavan' en 'wethouder Hekking'.
 
Elk woord, en dat is het leuke van een boekje als dit, roept de bijbehorende scène op. Maar dat is ook het noodlot van een boekje als dit: op een gegeven moment verlang je meer naar die scene dan naar het volgende woord. Uit een befaamde sketch van de Klisjeemannetjes over 'pruimen op sap zetten' komen zelfs zes gevleugelde woorden - het verlangen naar de complete sketch is dan niet meer te onderdrukken.
 
Blijft over de kwestie van de gehanteerde methode. Een boekje samenstellen op de golven van het succes van Van Kooten en De Bie kan iedereen wel (en velen hebben het dan ook gedaan), Sanders wil meer en verdedigt zijn keuzes met het inventariserend onderzoek. Het is natuurlijk wel een sprong, van wat een aantal journalisten optikt naar 'de invloed op het Nederlands'. En bovendien houdt hij zich niet aan zijn eigen criterium: een uitdrukking als 'kijken kijken en de rest erbij denken' (van de Klisjeemannetjes) heeft Sanders zoals hijzelf zegt nooit in druk aangetroffen, maar 'je hoort hem nog wel eens'. a, zo ken ik er nog wel een paar. Die paar noemt Sanders - terecht - ook wel in zijn boekje, maar het was niet de afspraak. Hoort 'kijken kijken en de rest erbij denken' nu tot het Nederlands? Ik geloof er niets van - hoe leuk de uitdrukking ook is, en hoe leuk het boekje ook is.
 

 
Terug naar Bibliografie